Frank Furedi

Professor of Sociology at University of Kent, and author of Wasted: Why Education Isn't Educating, Politics of Fear, Where Have All the Intellectuals Gone?, Therapy Culture, Paranoid Parenting and Culture of Fear.
 
       
 

Hulp is geen zaak voor angsthazen
Reddingswerkers en hulporganisaties bekommeren zich te veel om de eigen veiligheid.

De neiging om risico’s te mijden is in de huidige samenleving zo sterk geworden dat deze ons in de weg staat als altruïsme voorop moet staan, meent Frank Furedi.

Na de aardbeving op Haïti is er in de hele wereld een grote stroom van altruïstische gevoelens op gang gekomen. Mensen willen graag de slachtoffers van deze natuurramp helpen. Maar helaas halen rampen soms ook het slechtste in ons naar boven – en er bestaat een reëel gevaar dat het huidige altruïsme tenietgedaan zal worden door de desoriëntatie en het gebrek aan zelfvertrouwen van de westerse samenleving. Wat uitsluitend zou moeten worden gezien als een humanitaire crisis, wordt steeds vaker tot een ‘law-and-order’-probleem gereduceerd, waarbij veel reddingswerkers klagen dat ze niets kunnen doen door ‘het geweld en de instabiliteit’.

Het van een crisis een drama maken is nu de gebruikelijke culturele reactie op een natuurramp geworden. Na de orkaan Katrina in New Orleans in 2005 bleek het overgrote deel van de verhalen over moordzuchtige bendes, wijdverbreide verkrachtingen en nietsontziend geweld niets meer te zijn dan dat: louter verhalen. Toch wordt de westerse cultuur gefascineerd door het drama van een ramp.

De afgelopen jaren hebben de media en de entertainmentindustrie een narratief kader voor rampen ontwikkeld, dat mensen ertoe aanzet rampzalige gebeurtenissen op een bepaalde manier te interpreteren. In die zin is het vrij gebruikelijk dat echte tragedies worden vergeleken met films over menselijke verdorvenheid: een Australische hulpverlener die de aardbeving op Haïti ‘overleefde’, zei dat ze „zich voelde alsof ze meespeelde in een nachtmerrie-achtige film over het einde der tijden”.

Net als in de nasleep van de orkaan Katrina verspreiden veel overheidsfunctionarissen, gesteund door de media, alarmerende verhalen over de ineenstorting van de beschaving en de rechtsorde op Haïti. In de woorden van een verslaggever van de Amerikaanse televisiezender ABC: „We zien plunderingen, we zien bendes, we zien daklozen die voor eigen rechter spelen en afrekenen met mensen die ze als een bedreiging beschouwen.”

Amerikaanse militaire functionarissen waarschuwen dat de plunderingen en het geweld de hulp dreigen te ondermijnen. „We zullen ons met het veiligheidsprobleem moeten bezighouden”, aldus de Amerikaanse generaal Ken Keen. De militarisering van deze hulpoperatie is gelegitimeerd door de Verenigde Naties, die aankondigden dat de VN-vredestroepen zouden worden aangevuld met duizenden Amerikaanse soldaten om ervoor te zorgen dat de hulpverleners hun werk konden blijven doen.

Ongetwijfeld zijn er veel wanhopige mensen op Haïti, die het gevoel hebben dat ze niets te verliezen hebben als ze het recht in eigen hand nemen. Maar waarom worden deze daden van de machtelozen afgeschilderd als een serieuze bedreiging voor de VN, het Amerikaanse leger en talloze andere internationale spelers op Haïti? Jazeker, de situatie is zeer moeilijk, en iedereen die betrokken is bij de hulpinspanningen mag niet verwachten op de thee te zijn uitgenodigd. Maar het is tragisch om te beseffen dat wat de hulp werkelijk belemmert, niet zozeer het geweld en de plunderingen van de Haïtianen zijn, maar de angst en de ongerustheid van de hulpverleners.

Uit veel verslagen blijkt dat het merendeel van de hulpverleners en reddingswerkers niet naar de arme gebieden buiten Port-au-Prince durft af te reizen, omdat hun organisaties bang zijn voor hun veiligheid. Veel artsen en reddingswerkers worden beschermd door gewapende lijfwachten, en sommigen lijken zich eerder druk te maken over hun eigen veiligheid dan over het verstrekken van hulp. Het lijkt er zelfs op dat een krachtige weerzin tegen het nemen van risico’s de overhand heeft gekregen.

Dezer dagen is het niet een of ander agressief buitenlands beleid dat de tendens voedt om humanitaire hulpoperaties te transformeren in militaire oefeningen. Deze neiging om een land dat is getroffen door een aardbeving, voor te stellen als een oorlogszone, en het idee dat de reddingswerkers zelf waarschijnlijk gered zullen moeten worden, zijn de logische gevolgen van de cultuur van risicomijding die onze westerse samenlevingen is gaan overheersen. Zelfs als het gaat om de nobele missie van het redden van mensenlevens prevaleert het ethos van het banale risicobeheer.

De westerse samenlevingen zijn zo geobsedeerd geraakt door veiligheid, dat vrijwel iedere menselijke ervaring vergezeld gaat van een gezondheidswaarschuwing. Het zijn niet alleen speeltuinen en scholen die nu worden gedomineerd door het ethos van veiligheid om de veiligheid zelf – ook organisaties als de nooddiensten, politie en leger zijn nu onderworpen aan het dictaat van gezondheid en veiligheid. Bill Rammell, de Britse minister van Defensie, zei vorig week: „Mijn angst is dat we als natie zó afkerig van risico’s, zó cynisch en zó naar binnen gekeerd worden, dat we ons als vanzelf op weinig glorieuze wijze zullen isoleren.”

Volgens een Britse journalist komen Britse politieagenten tegenwoordig nauwelijks nog op straat. En als ze dat wél doen en met een ernstige situatie worden geconfronteerd, nemen ze zelden risico’s. In één geval belegerden gewapende agenten vijftien dagen lang een huis in Londen, om daar pas binnen te vallen nadat de gegijzelde op eigen kracht was ontsnapt en de gijzelnemer omkwam als gevolg van een door hemzelf aangestoken vuur. Het veiligheidsethos is ook in het leger geïnstitutionaliseerd geraakt. Legercommandanten moeten risico-inschattingen maken voor ieder aspect van de training van hun soldaten. Sommigen hebben het opgegeven het uiterste van hun ondergeschikten te vergen, omdat ze bang zijn de gezondheids- en veiligheidsvoorschriften te overtreden.

Generaal Sir Michael Rose, het vroegere hoofd van de Britse elitestrijdkrachten SAS, heeft zich uitgesproken over de verwoestende gevolgen van risicovermijding en het veiligheidsethos voor de moraal van het leger. Hij heeft de „morele lafheid” veroordeeld, die volgens hem de „meest rampzalige ineenstorting van het militaire ethos in de recente geschiedenis” heeft teweeggebracht. En de teloorgang van het ‘krijgersethos’ is nog schrijnender in het Amerikaanse leger.

Een analist gelooft dat risicomijdend gedrag de effectiviteit van het Amerikaanse leger heeft ondermijnd: „Naarmate de nadruk op het belang van het uit de weg gaan van risico’s in de commandoketen omlaag sijpelt, worden jongere commandanten en hun soldaten zich er steeds meer van bewust dat risicomijdend gedrag gewenst is en gaan ze dienovereenkomstig handelen.”

Anders dan andere organisaties in de samenleving kunnen het leger, de nooddiensten en rampenteams eenvoudigweg niet goed functioneren als ze geen risico’s mogen nemen: ze moeten zich begeven naar instabiele plekken en verder gaan dan wat hun letterlijke mandaat dicteert. Als het gedrag van reddingsteams wordt bepaald door de zorg om hun eigen veiligheid, zoals nu op Haïti lijkt te gebeuren, worden ze onvermijdelijk afgeleid van de humanitaire missie waarvoor ze op pad zijn. In zulke omstandigheden wint de zorg om de veiligheid het van de noodzaak van de hulp. Erger nog: het dreigt de nobele daden van de mensheid te veranderen in smakeloze pogingen om op veilig te spelen. 

First published by NRC Handelsblad, 26 January 2010